Agapornis nigrigenis

Agapornis nigrigenis

Deze Agapornis werd in 1904 ontdekt door dr. Kirkman aan de Muguazi-rivier in Zambia. Ze leven in een relatief klein verspreidingsgebied van ongeveer 13.000 km². Het verspreidingsgebied grenst aan dat van de Agapornis Lilianea. Ze leven aan de rand van de wouden aan de Zambesi-rivier. Deze wouden zijn vrij smal en gaan over in droge savannen. In die savannen halen ze hun voedsel dat bestaat uit vruchten, zaden en bladknoppen. De galeriewouden gebruiken ze als beschutting, holen en spleten in de bomen gebruiken ze als nest en van de rivier wordt gretig gebruik gemaakt om te baden.

De Zwartwang agapornis is plm. 13,5 cm. Groot en is daarmee één van de kleinste Agaporniden. Hun voorhoofd en bovenkop zijn roestbruin overgaand in donkerbruin, kin keel en wangen zijn bruinachtigzwart, achterhoofd olijfgroen overgaand in olijfgeel, de mantel, stuit en vleugeldek zijn dof grasgroen, onderborst, buik, flanken en anaallstreek zijn geelachtig groen. De grote staartpennen hebben oranjerode en geelzwarte dwarstekening. De snavel is rood, bij de basis overgaand in diep rose. De borst is oranjerood. Grijze poten en een witte ring rondom de ogen. Er is geen uiterlijk verschil tussen de geslachten, maar de poppen zijn vaak wat forser.

In de jaren 30 van de vorige eeuw werden ze in grote aantallen ingevoerd. Hierdoor werden ze minder interessant voor de commerciele kwekers. Ze zijn één van de minder agressieve Agaporniden, en maken ook minder kabaal dan bijv. de Roseicollis. Ze zijn goed te houden in een kolonie, maar de beste resultaten krijgt men toch als ieder paartje apart wordt gehuisvest in een broedkooi. Ze nemen genoegen met een nestkast met een bodemoppervlakte van 25 x 15 cm. en een hoogte van plm. 20 cm. Als nestmateriaal kan men ze het beste wigen of fruitboomtakken geven. Hiervan maken ze in de nestkast een bolvormige nestholte. De eieren worden om de dag gelegd. Een legsel bedraagt meestal tussen de 3 tot 6 eieren. Vanaf het tweede ei wordt er meestal gebroed en na 21 dagen broeden komen de jongen uit het ei. Pas geboren jongen hebben wit dons, op een leeftijd van 9 a 10 dagen kunnen ze geringd worden met een 4 mm. ring. Na ongeveer 6 weken verlaten de jongen het nest, waarna ze na een week of twee volledig zelfstandig zijn. Van de Nigrigenis zijn momenteel al heel wat mutaties bekend, zo zijn er de lutino, de blauwe, donkerfactorigen en verschillende combinaties hiervan.